AGENDA
per 24 september 2018

De oorsprong van Carnaval
De oorsprong van het woord carnaval is onzeker. Er zijn verschillende theorieën en invloeden. Mogelijk is het woord carnaval afgeleid van 'carne levare', dat 'opruimen of wegnemen van het vlees' betekent. Dit heeft te maken met de vastenperiode waarin de rooms-katholieken geen vlees eten. Maar de de gewone mensen in Europa aten tot laat in de middeleeuwen zelden vlees!! Het is waarschijnlijker dat het woord carneval afstamt van het Romeinse “carrus navalis”, dat naar de scheepswagen verwijst die in de Romeinse optochten voorkwam. 

Het feest was vroeger waarschijnlijk een vermenging van een Romeins lentefeest en een Germaans offerfeest. Bij deze feesten vierde men de komst van de lente. De Kerk deed haar uiterste best om de heidense restanten van carnaval tegen te gaan, maar de dreigementen en verboden hadden weinig effect op het gelovige volk. Paus Gregorius de Grote (590-604) liet de vasten ingaan op Aswoensdag. Het hele carnavalsgebeuren werd ervóór geplaatst, zodat er toch een duidelijke scheiding ontstond tussen het heidense en het christelijke. 
Het was ook de gewoonte om tijdens het carnavalsfeest de belangrijke mensen, die het voor het zeggen hadden, te bespotten met gebruik van maskers en vermommingen. Maskers werden in de oudheid ook al gebruikt als middel om boze geesten te verjagen. We vinden echter ook elementen van het carnavalsfeest terug in de geschiedenis van vele antieke beschavingen.  

Mesopotamië (ca. 2600 v Chr)
Mesopotamië was vroeger het land gelegen tussen 2 rivieren, de Eufraat en de Tigris. Dit gebied hoort nu bij Irak. Tijdens de viering van het nieuwjaarsfeest hoefden de mensen niet te werken. Slaven waren voor een korte periode gelijk aan hun meesters. De rollen werden zelfs omgedraaid: de slaven mochten even meester zijn en hun meester moest hen bedienen!! Aanleiding voor het omdraaien van de rollen was het Sacea- of Zagmoekfeest. Een prachtig versierd pronkschip op wielen werd in een processie meegevoerd naar het heiligdom van de god Mardoek. In deze kar werd iemand meegevoerd die voor enkele dagen de rol van koning vervulde. Aan het einde van het feest was hij gedoemd te sterven: een soort reinigingsritueel dus.

In het oude Egypte werd eind december de terugkeer van het licht met het zgn. zonnewendefeest gevierd. Tijdens dit vijf dagen durende vruchtbaarheidsfeest werd de stier Apsis rondgereden op een schip met wielen. Men vierde in Egypte ook het feest van vruchtbaarheidsgodin Isis, die met een blauwe schuit de Nijl afvoer.
Ook de oude Romeinen kenden zo hun feesten. Rond 21 maart (het nieuwe jaar begon toen nog in maart) werd het feest Saturnalia gevierd. Slaven werden zeven dagen vrij gelaten en mochten hun meesters bespotten en de meesters verkleedden zich onherkenbaar om deze spot te ontlopen. Tijdens de Saturnalia werden optochten gehouden om de godheid Bachus, de schenker van levensvreugde en wijn, te eren.
Bij de Grieken viel die eer te beurt aan Dionysus die op een scheepswagen door de stad trok en versnaperingen naar de mensen gooide.
Ook in andere delen van de wereld werden al lang voor onze jaartelling soortgelijke feesten gehouden zoals onder meer door de Inca‘s, de Joden en de Chinezen.   

Germanen
Niet alleen in zuidelijke landen maar ook in onze streken werd rond het begin van de lente gefeest. Meerdere Germaanse stammen vierden het feest van Moeder-aarde, die als een alles overheersende godheid werd beschouwd. Tijdens dit jubelfeest werd een schip op wielen in een luidruchtige stoet rondgereden. Tijdens deze zgn. Joelfeesten vierden de Germanen, als de dagen weer langer werden,  de (weder-) geboorte van de zon. Centraal stond de vruchtbaarheidsgodin Nerthus. De beeltenis van de god Freyr werd op een schip met wielen geplaatst en door een stoet van mensen in diervermomming en mannen in vrouwenkleren begeleid. Aan boord van het schip werd het huwelijk van Freyr met een priesteres voltrokken.


Middeleeuwen
In veel preken en teksten in de middeleeuwen werd het voorbeeld van een schip gebruikt om de christelijke leer te verduidelijken: het schip van de kerk, van de doop, Maria als schip, enz. Al vanaf de vroege middeleeuwen was er sprake van boeteschepen met ruziënde mensen die heel losbandig leven: het schip van de doop was uit de koers geslagen en zwaar beschadigd door de zonde van de mens. Boete doen, zo dacht men, was de enige manier om te ontkomen aan de hel. 
Uit de geschriften blijkt dat er in de vroege middeleeuwen uitbundige feesten werden gevierd aan de vooravond van de vasten of ter begroeting van de lente.
De kerk vond deze "duivelse uitspattingen" en "heidense rituelen" maar niks. Al in het jaar 325 bepaalde het Concilie van Nice dat het afgelopen moest zijn met deze deze heidense feesten. Paus Gregorius de Grote (590-604) liet de vasten ingaan op Aswoensdag. Het hele carnavalsgebeuren werd ervóór geplaatst, zodat er toch een duidelijke scheiding ontstond tussen het heidense en het christelijke. 
Het was ook de gewoonte om tijdens het carnavalsfeest de belangrijke mensen, die het voor het zeggen hadden, te bespotten met gebruik van maskers en vermommingen. In het jaar 724 ging de synode in Leptines fel tekeer tegen de feestelijke uitspattingen in de maand februari.

Het getal elf
Carnaval is ook een uitbundig feest. Ook speelt het getal 11 een grote rol bij het feest. 11 is het getal van de gekken want men gelooft dat je gek wordt als je door een elfje gebeten wordt. 11 November is de Gekkendag en carnaval is het feest om gek te doen, om te “faseln” om het met een woord uit die tijd te zeggen. Van dit woord is dus niet alleen “vasten” maar ook “bazelen” (onzin uitkramen) afgeleid. 11, twee énen naast elkaar, is net als het dragen van maskers en vermommingen een teken van gelijkheid.Het getal elf heeft een speciale betekenis in het carnavalsgebeuren. Op de elfde van de elfde maand benoemen carnavalsverenigingen een Raad van Elf en kiezen zij een nieuwe Prins Carnaval. Sommigen stellen dat de elfde van de elfde maand een wezenlijke datum is omdat hij exact 40 dagen voor Kerstmis valt. Elf november is ook de feestdag van St. Maarten. Volgens anderen is het getal elf afgeleid van het Oudgermaanse ‘alf’, een lucht- of watergeest. Het begrip ‘alfsch’, dat al uit de middeleeuwen stamt, betekent zot of dwaas. ‘Alfen’ is schertsen, iemand beetnemen.

Het woord vastenavond valt voor het eerst rond het jaar 1000. Tijdens de synode van Benevento in 1091 wordt officieel het begin van de vasten, Aswoensdag, vastgesteld volgens de berekeningswijze zoals we die nu nog kennen: Vastenavond valt altijd 7 weken voor Pasen = 7 x 6 werkdagen minus de vastenavond-maandag en vastenavond-dinsdag. Dus dat zijn dan 40 vastendagen. Pasen is de eerste zondag na de eerste volle maan die na 21 maart valt.
Langzaam maar zeker gingen de kerkelijke leiders minder tekeer tegen het vastenavondfeest. De clerus begreep dat het “gewone volk” zo nu en dan een verzetje nodig had. Het leven was hard, de kerkelijke wetten waren streng en om verzet hiertegen te voorkomen, kwam het vastenavondfeest als een soort uitlaapklep goed van pas.


De manier waarop men in de periode van de 14e tot en met de 16e eeuw het carnavalsfeest vierde wordt uitgebeeld op een schilderij van Pieter Brueghel de Oude. Dit schilderij uit 1559 is getiteld “De strijd tussen jonker carnaval en vrouw vasten”. Hiernaast staat een gedeelte van dit schilderij. Dit schilderij symboliseert de strijd tussen de uitgelaten “gewone mensen” en diegenen die de boete en vasten belangrijker vinden. Simpeler gezegd, een strijd tussen de niet-gelovigen én diegenen die zeer gelovig zijn en door middel van vasten, hun zonden vergeven willen krijgen. Zonden zijn dan zaken die officieel door de kerk afgekeurd zijn, zoals liegen.
Dit schilderij is historisch gezien juist, het leven was in die tijd namelijk echt zo. Het laat gewoon zien hoe de mensen in de Middeleeuwen leefden. Het schilderij wees de mensen er op hoe men wél en niet mocht leven. De meest mensen waren analfabeet (konden niet lezen of schrijven) dus men kon hen alleen duidelijk maken wat wel en niet toegestaan was door middel van tekeningen of schilderijen.

Van echt verkleden was geen sprake. Ketels, manden, tafels en bijenkorven dienden als hoofddeksels. Dierenvellen en zakken werden gebruikt als mantels. Messen, potten en mestvorken dienden als lawaai-instrumenten. Er werd tevens een vastenavondspel opgevoerd; het spel bevatte voor de toeschouwers een wijze les over hoe men diende te leven.
Het feest was vooral in de late middeleeuwen ontzettend populair, en zo ongeveer alles was toegestaan. Vooral de geestelijkheid moest het dikwijls ontgelden. Zo werden er bijvoorbeeld "nepmissen" opgedragen. Zogenaamde priesters voerden een parodie (lachwekkende vertoning) op de kerkelijke eredienst op, waarbij na elk gedeelte het gehele kerkvolk een harde boer liet horen. Zij droegen daarbij maskers en aten zwarte pudding en vette worsten op het altaar. In plaats van wierook werden schoenzolen verbrand. Of er werden onzinnige liederen tegen elkaar ingezongen, waarna men zich de kerk uit haastte, omdat de laatst overgeblevene zonder pardon de broek omlaag werd getrokken. Zogenaamde priesters hielden ook spotpreken (denk aan de "buuttereedners" = "tonpraters" die we nu kennen) en staken de draak met kerkelijke en godsdienstige regels. Flink drinken en de beest uithangen, daar ging het om. Tijdens het massale drinken van de wijn werd er een tot ezelbisschop gekozen. In het archief van de Munsterabdij van Roermond bevindt zich een geschrift uit 1352 waarin sprake is van een ezelbroederschap.
Het was rond 1400 verboden om te dobbelen (gokken), maar tijdens carnaval werd een uitzondering gemaakt. Dit blijkt uit een brief van de raadslieden van Maastricht van 1405. Dit verbod werd tijdelijk opgeheven en de mensen mochten tijdens de carnaval dus wel dobbelen. 

Blauwe Schuit
In de 15e eeuw mochten alleen “wie in gebreke gebleven waren” aan boord van de “carrus navalis”, de zogenaamde Blauwe Schuit: hoge geestelijken die achter de vrouwen aan zaten, dronkelappen, verarmde edelen, enz. Blauw was al van oudsher de kleur van het bedrog. Rondtrekkende gezelschappen voerden bovendien wagenspelen op waarin getoond werd hoe het de mens zou vergaan als hij de tien geboden of de sociale leefregels niet naleefde.

Frankrijk
Van 1000 tot 1500 vonden in Frankrijk de Narren- en Ezelsfeesten plaats. In deze parodieën op de kerkelijke liturgie nam de geestelijkheid aanvankelijk de centrale rollen op zich. De subdiakens traden op als zottenbisschop of ezelpaus. Later namen burgers hun rol over. Na de kerkelijke leiders werden nu belangrijke burgers en edelen op de korrel genomen. In die tijd ontstonden ook de eerste echte narrenverenigingen, met een prins, vorst, adjudant en lijfwacht.
Aan het eind van de 16e eeuw trokken de geestelijken fel van leer tegen deze feestelijkheden. Het concilie van Trente (1545-1563) en de Contrareformatie veroorzaakten een complete omwenteling in de opvattingen over carnaval. In Nederland zou het feest tot in de 18e eeuw grondig versoberen.


Venetië
Merkwaardig genoeg bloeide het net in die periode in Venetié op. Op het San Marcoplein werd op vastenavond een ware plechtigheid gehouden. Onder trompetgeschal werd een stier naar voor gebracht en ter plekke de kop afgehakt. Vervolgens werd een vuurwerk afgestoken en beklommen acrobaten de toren van San Marco. Ook de maskerindustrie bloeide op. Het masker stond immers voor anonimiteit, vermomming en spel. Naar dit Italiaans voorbeeld kwamen in het midden van de 19e eeuw de gemaskerde bals in alle grote steden van Europa in de mode. Tijdens de Franse bezetting van het Rijnland (1796-1814) kwam het carnaval er weer tot leven. Onder die invloed ontwikkelde zich ook het Zuidnederlandse carnaval.

 

De hervorming
Carnaval wordt door christenen gevierd die bij de kerk van Rome, de roomskatholieke kerk horen. Maar in de 16e eeuw keerden steeds meer christenen zich tégen de rooms-katholieke kerk en sloten zich bij een protestantse kerk aan. Ze wilden geen carnaval meer vieren, omdat ze tegen de losbandigheid waren. Als in een dorp of stad de bevolking protestants werd of er kwam een protestants stadsbestuur, dan werd er geen carnaval meer gevierd. Dat gebeurde ook in Nederland tijdens de Tachtigjarige Oorlog. In ’s Hertogenbosch bijvoorbeeld werd carnaval in 1629 verboden nadat protestanten de stad op de rooms-katholieke Spanjaarden hadden veroverd. Pas vanaf 1794, het begin van de Franse tijd, mochten de Bosschenaren weer Carnaval vieren.  

18e eeuw 
In dit tijdperk trokken zowel volwassenen als kinderen door de straten en zongen vastenavondliedjes.
Ze bedelden om allerlei lekkers en speelden daarbij op de foekepot. Dit is een kom of een pot met daarin een varkensblaas gespannen. Een riet werd met een knoop aan het eind tegen de blaas gestoken (maar niet er doorheen), als de blaas nog nat en zacht was, werd deze bij de kachel gedroogd. Door het riet op en neer te bewegen en langs het riet te wrijven maakte men een geluid. De jeugd  maakte zo dus muziek. De jeugd trok rond met een foekepot, zong liedjes en te bedelde om eten. De jongen zong dan: "Ik heb zo lang met de foekepot rondgelopen...."en kreeg daarvoor een beloning. De dingen die zij verzameld hadden, zoals bijvoorbeeld spek, werden 's avonds naar de herberg gebracht. Hier werd het eten dan klaargemaakt en de mensen konden dit dan samen opeten. Bier werd bij dergelijke gerechten veel gedronken.

Er werden ook allerlei spelen gedaan zoals gansrijden, hanenslaan en haringbijten. Deze spelen werden zowel in de 18e als in de 19e eeuw gehouden.
Bij het hanenslaan en het gansrijden moesten de spelers de kop van het beest eraf slaan of de kop eraf trekken. In Venlo werden deze spelen in 1775 verboden, maar in Wijnandsrade werd
deze traditie in 1848 nog gehouden.
Bij het haringbijten moesten de spelers proberen de haringen die aan draadjes aan het plafond hingen met de tanden van deze draadjes af te bijten.

19e eeuw
In de 19e eeuw is Carnaval één van de twee grote feesten van het jaar. Het andere feest is de kermis. Beide feesten geven de boeren en arbeiders, die vaak grote armoede lijden, de kans om eens níet hard te werken, maar in plaats daarvan flink uit de band te springen. Dat doen mensen door op straat te dansen, te zingen en (veel) te drinken. Ze sparen er maandenlang voor.
Maar soms loopt het feest uit op vechtpartijen en richten vandalen vernielingen aan. Het stadsbestuur denkt er dan over om het feest te verbieden en soms gebeurt dat ook. Cafébazen komen in verzet om een verbod te voorkomen of om die op te laten heffen omdat ze zonder carnavalsfeest minder verdienen. En liefhebbers van carnaval willen het feest niet missen. Ze richten carnavalsverenigingen op om het feest te organiseren en zorgen ervoor dat er tijdens het feest niet wordt gevochten en niets wordt vernield. Ze huren zalen af waar carnavalsliefhebbers zich kunnen uitleven. Carnaval begon zich te verspreiden, dat wil zeggen steeds meer mensen gingen het vieren. Kranten speelden hierbij een belangrijke rol.

Het Rijnlandse carnaval
Ons carnavalsfeest vindt zijn oorsprong in de Rijnlandse (gebied in Duitsland langs de Rijn) carnaval.
In Keulen werd namelijk in 1823 een carnavalsoptocht geregeld. Deze optocht was georganiseerd door een groep mensen die allemaal boeken en dergelijke schreven.
Keulen hoorde, nadat het eerst in Frans bezit was geweest, vanaf 1815 bij Pruisen ( dit was de toenmalige machthebber in dit gebied). Keulen was in die tijd een belangrijke plaats en kreeg zelfs bezoek van de keizer van het Duitse rijk. Als deze keizer kwam, werd hij altijd verwelkomd met mooie bloemen, wagens, enzovoorts. Een soort optocht dus.
Een belangrijke Duitse schrijver, Goethe, had een boekje geschreven over de Romeinse carnaval die hij gezien had in 1788. Dit boekje bracht de schrijvers op verschillende ideeën en sommige personen die in dit boek voorkwamen liepen ook mee in de optocht van Keulen.De schrijvers wilden net zo een mooie stoet door de stad laten gaan en daarmee hun nieuwe baas (Pruisen) voor gek zetten. Het hoogtepunt van deze optocht was de wagen van "Held Karneval".



Held Karneval wordt vanaf 1870 prins carnaval genoemd. Hij draagt een middeleeuws pak dat lijkt op het kostuum van de keizer van het Habsburgse Rijk. Net zoals een echte keizer heeft ook een prins carnaval een hofhouding met een nar (die mensen moet laten lachen), een minister en een raad. De Held werd vroeger begeleid door soldaten die het uniform droegen van de beschermers van de stad (voormalige Keulse stadsgarde). 
Het dansmarietje was oorspronkelijk een imitatie van de marketentster, de vrouw die met het leger moest meereizen om ervoor te zorgen dat de soldaten genoeg te eten kregen, aanvankelijk een mannenrol. Tegenwoordig treedt zij namens de carnavalsvereniging op bij toernooien en zittingen. 
Hieronder is een afbeelding uit 1879 uit Keulen met de prinsenwagen en de wagen van de Rozengeest. De optocht heet dan ook de Rozenmaandagsoptocht

De eerste carnavalsorganisaties
Op verschillende plaatsen werden carnavalsorganisatie opgericht die het organiseren van carnavalsactiviteiten voor hun rekening namen. Het initiatief (idee) hiertoe werd meestal ondernomen door de middenstand (winkeliers of gestudeerde mensen bijvoorbeeld slagers, advocaten en artsen). Er zijn verschillende redenen te noemen waardoor men zich ging organiseren:

  • financieel voordeel (dat wil zeggen je verdient er geld mee)
  • dit gaf een bepaalde stijl aan het feest (zorgde voor een bepaald cachet),
  • om te laten zien dat het handhaven van een traditie zinvol is,
  • als teken van liefde voor de stad,
  • om politieke ideeën ook daadwerkelijk te kunnen uitvoeren en er vrijuit over te kunnen praten

Oprichting van de organisaties in Maastricht, Venlo en Sittard
In 1840 werd in Maastricht een carnavalsorganisatie opgericht genaamd "de Momus". Dit was een sociëteit (vereniging) voor de middenstand van Maastricht, die dacht financieel voordeel te hebben door carnavalsactiviteiten te organiseren. Politiek gezien was dit een vereniging die tégen de Groote Sociëteit was. De Groote Sociëteit was namelijk Hollands gezind (voorstanders van Holland), dit in tegenstelling tot de Momus die zich meer betrokken voelde met de Belgische leden van hun vereniging. Het totstandkomen van deze verenigingen was afgekeken van de vereniging Florus  uit Aken (Dld).

In Venlo werd in 1842 een carnavalsorganisatie opgericht, de “Jocus” (zie foto links). Hun leden hadden contact met een Duitse narrenacademie en de leden waren vrijmetselaars, dus geen mensen uit de middenstand 
In Sittard werd in 1881 een carnavalsorganisatie opgericht die zich "de Marotte" noemde. Als voorbeeld namen zij Venlo en het buurland (Duitsland) waar het vieren van carnaval al goed geregeld werd. De rechter foto toont de 1e prins van Sittard.

Carnaval in de 20e eeuw
Carnaval bleef een feest met een religieuze achtergrond. Carnaval is het feest dat gevierd werd op vastenavond, de avond voor de veertig daagse vasten voor Pasen. De rooms-katholieken aten tijdens de vasten geen vlees, snoep en lekkernijen. Kinderen hadden tot halverwege de 20e eeuw een vastentrommeltje, waarin ze hun snoep bewaarden. Alleen op zondag mochten ze daar een snoepje uit halen. De rest van het snoepgoed bewaarden de kinderen tot na de vasten. 
Op Aswoensdag begon de vasten. De gelovigen gingen naar de kerk en kregen het traditionele askruisje op het voorhoofd. Daarbij sprak de priester de tekst uit: "Gedenk mens, dat gij stof zijt en tot stof zult wederkeren." 
Vastenavond (dinsdag) is dus de avond vóór de vasten. Om die reden gingen de mensen zich op die avond flink te buiten aan drank en lekkernijen. Tegenwoordig is de periode van carnaval uitgebreid tot vier à vijf dagen. Het feest begint meestal al op donderdag- of vrijdagavond en duurt tot dinsdag middernacht. 

De datum waarop het carnavalsfeest gevierd wordt, houdt verband met de dag waarop Pasen valt. Het is Pasen op de eerste zondag na de eerste volle maan na 21 maart. De vastenperiode duurt veertig dagen, carnaval begint dus ongeveer zes weken voor Pasen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog mocht van de bezetters helemaal geen vastenavond gevierd worden.
Direct na de bevrijding beleefde de Limburgse vastenavond echter een ongekende opmars. De bevolking had in 1945 een onbedwingbare drang om oude tradities, en vooral toch vastenavond, weer in ere te herstellen. In de grotere plaatsen werden in 1946 alweer prinsen gekozen, zittingen en bals gehouden en optochten georganiseerd. De kleinere plaatsen bleven nu echter niet lang achter. In bijna elk kerkdorp kwam er een Raad van Elf en werden volledige vastenavondprogramma‘s georganiseerd. 
Door de groeiende welvaart was het vieren van vastenavond ook betaalbaar. Ook vrouwen gingen actief meevieren en meehelpen met organiseren. De verenigingen beschikten over meer geld en begonnen met het inhuren van echte artiesten als buuttereedners of zangers voor zittingen en bonte avonden. Doordat bijna alle wijken en dorpen gemeenschapshuizen kregen, kon men in vrijwel iedere wijk en ieder dorp vastenavond vieren.

In de jaren zestig en zeventig, een tijdperk van grote economische groei, werd vastenavond ontdekt door mensen die er veel geld aan wilden verdienen en er ontstond zoiets als een carnavalsindustrie. Platenmaatschappijen overstroomden ons met carnavalskrakers, de zelfgemaakte vastenavondkleren werden vervangen door kant en klare carnavalsconfectie of zelfs zeer dure carnavalsmode, VVV"s en reisbureaus lokten toeristen met carnavalsreizen, de televisie bracht Duitse carnavalszittingen in de huiskamers, reclamestoeten trokken voor de optochten uit, praalwagens werden gehuurd en verhuurd en ook de horeca begon driftig tal van festiviteiten te organiseren. Carnaval werd big business! 
Deze verloedering leverde onder meer een stortvloed van grammofoonplaten met de meest dubbelzinnige teksten op. Toen al deze liederen met behulp van de landelijke media de eigen dialectmuziek bijna hadden verdreven, was de maat echter vol. Vanuit Maastricht startte de oorlog tegen deze carnavalsvervuiling vol 'Hollandse onderbroekenlol'. Heel Limburg kwam in het geweer tegen de liederen van André van Duin, Ria Valk, Vader Abraham en vele anderen. De plaatselijke dialectliedjes werden sterk gepromoot en gingen weer de boventoon voeren. Uit deze boycot is ook onze eigen provinciale liedjeswedstrijd, het Limburgs Vastenavondleedjes Konkoer, voortgekomen. Om ook de jeugd al vroeg op deze lijn te krijgen werd later eveneens het Kinger Vastenavondleedjes Festival ingesteld.

Heel belangrijk voor de hedendaagse vastenavond is de opkomst vanaf de zeventiger jaren van de zaate hermeniekes, joekskapellen en sjpaskapellen. Ze verbreken met name de stilte op straat, verhogen de vastenavondsfeer en zorgen voor veel stemming en plezier.
Vele oude gebruiken en tradities werden opnieuw ingesteld of opnieuw ontdekt en er zijn in de loop der jaren ook nieuwe tradities ontstaan. 
Bekende voorbeelden van plaatselijke gebruiken en tradities zijn:

  • het Bacchus drieve op Carnavalsdinsdag in Roermond
  • het Gilde van de Blauw Sjuut in Heerlen
  • de “Graasboer” op Carnavalsdinsdag in Susteren
  • het “Kowrenne” op donderdagavond voor Carnaval in Hoensbroek
  • de Boerebroelôf in Venlo en later ook in vele andere plaatsen
  • “Truuje-aovend” op donderdagavond voor Carnaval in Blerick
  • het "Kloonetrekke" op Carnavalsdinsdag in Kerkrade